Bio Large

Decenniumdromen: dwarsdoorsneden

Nul / 1964
10 / 1974
20 / 1984
30 / 1994
40 / 2004

Nul / 1964
Er was geen ontkomen aan. Zonder enige inspraak van mijn kant ben ik ooit geboren, zomaar.  Natuurlijk niet helemaal zomaar, er is volgens bepaalde wetmatigheden het een en ander aan vooraf gegaan - met ook hier geen enkele inbreng mijnerzijds -  en dan begint de klok vanaf nul te tikken. Vraag me niet naar het weer op mijn geboortedag of naar de stand van de zon en de maan. Een vrijdag, dat was het. Volgens astrologen: ram. De coördinaten van mijn geboorteplaats zijn voor leken eenvoudiger terug te brengen tot Venlo, Nederland, op een kanonschot afstand van de Duitse grens.

Het begin van een jaartelling kent zijn eigen charme. Uiteraard mag een vraagteken worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de beschrijving van mijn eigen jaar nul, maar waarom zouden we? Ik bedoel: ondanks dat ik volgens kenners onder een gunstig gesternte ter wereld kwam, kan ik mij slechts beroepen op de verhalen van een liefhebbende omgeving, een terugblik in het familiealbum en de geruststellende wetenschap dat de Beatles bij mijn geboorte op nummer 1 stonden met
Can’t buy me love. Daar moeten we het mee doen. Hoe dan ook, het werd al snel helder dat ik een geweldige baby was, terecht de trots van de hele familie en buurt, tot aan de andere kant van de Maas, gezegend met glimmend rode konen, waar je lekker in kon knijpen, geen gezeur en gedrein van mijn kant, huilbaby’s bestonden in die dagen nog niet. De kiem voor mijn fameuze, ruimhartige karakter was toen al overduidelijk aanwezig, iets waar anderen jaren later nog steeds de zoete vruchten van plukken, maar ik wil niet op de zaken vooruit lopen. Een groot hart, ook voor dieren. Ziedaar, die vertederende foto; ik met onze schnauzer samen knus bij elkaar in het grote bed, een heerlijk portret om dood te knuffelen, vooral omdat die schnauzer even later in een zeer jaloerse bui – om mij, natuurlijk – een gemene aanval op de frêle benen van mijn moeder pleegde, waar zij een fascinerend litteken aan overhield, met een voorspellende waarde, betrouwbaarder dan alle meteorologen in De Bilt bij elkaar, want ze voelde daarna aan haar oude wond of het zou gaan onweren. We hebben nooit meer een hond gehad, trouwens. Wel goudvissen, die na hun overlijden in de traditioneel ronde vissenkom, met ceremoniële waardigheid door de wc werden gespoeld, op weg naar moder Maas. Mijn moeder de waarzegster zong altijd voor mij, levensliedjes met een lach en een traan, melancholieke carnavalsliedjes of liedjes van Harry Bordon – bij uitstek weerklinkt haar uitvoering van Marieke die aan de man moest worden gebracht - en natuurlijk schalde in mijn geboortejaar haar favoriete meezinger Liebeskummer lohnt sich nicht door het huis. De liedjes van de ver van onze stamboom gewaaide Wilhelm Sterk kende ze toen nog niet uit haar hoofd, maar nu en dan zette mijn vader met gepaste eerbied een Robert Stolzplaat op de grammofoon, waaronder de operetteklassieker Du sollst der Kaiser meiner Seele sein, een van de vele liedjes waar nonkel Willem de tekst voor had geschreven. Wilhelm was acht jaar ouder dan mijn opa Sterk. Zo groeide ik op, met klanken die me leerden dat liefde niet te koop was, liefdesverdriet een vorm van verspilling en er misschien ooit iemand anders over je ziel ging regeren. Misschien heeft mijn moeder in een onbewaakt moment Slaap kindje slaap ten gehore gebracht, maar over dat laatste spreken de getuigen zich tegen.

Naar boven

10 / 1974

Zomer in Terwinselen, met in ieder geval één onuitwisbare indruk. Die Weltmeisterschaft Fussball. In de tuin speelden mijn vrienden en ik de wedstrijden die we op de televisie zagen na, compleet met de plichtplegingen rondom de volksliederen. Daar stonden we zelf, stram in de houding, van duitschen bloed. En daarna: ten aanval. Bestaan er mooiere dromen voor een jongen van tien, namelijk dat degene die het mooiste voetbal speelt ook echt wint? Buiten de liedjes van mijn waarzegster leerde dat wereldkampioenschap mij lessen voor het leven, daar kon geen Mariaschool tegenop. En de radio gaf ons die dagen
Sugar Baby Love. Nog steeds gingen alle liedjes in de hitparade over de liefde, ik wist gewoon niet beter.
Voetbal: de spelregels zijn eenvoudig en hebben lak aan virtuositeit, alleen het aantal doelpunten is doorslaggevend. Laten we het daarom vooral over de jonggeleerde lessen hebben, over de keerzijde van roem en rechtvaardigheid, de schaduwzijde die beroemder is dan de zon die haar laat ontstaan.

Onze helden uit ’74. Iedereen heeft het over de dramatische verloren finale, die zondag in juli. Langzaam loopt Cruijff met de bal naar voren. Zo moet Mozes zich gevoeld hebben bij het wijken van de Rode Zee. De stugge Duitse verdediger hapt niet en loopt terug. Onze aanvoerder maakt een schijnbeweging en gaat in de versnelling naar links, vertraagt iets en versnelt nog een keer, recht op het doel af, richting het Duitse strafschopgebied. Dan wordt Cruijff aangevallen door een andere Duitse speler, maar hij wurmt zich behendig door de steeds nauwer wordende fuik. Een Duits been raakt het linkerbeen van Cruijff, net op de rand van het strafschopgebied. Door zijn versnelling schiet nummer 14 listig door en valt binnen de fatale zestienmeterlijn, territoriale overschrijding. De wedstrijd is geen twee minuten oud en er is geen Duitser aan de bal geweest. Dat is wat ik mij herinner, de meest unieke opening van een WK-finale ooit. De Nees schiet de kalk van de penaltystip. (Zo slecht raakt hij de bal blijkbaar.)

Wat denk je dat gebeurd zou zijn als we hadden gewonnen? Dan was het haast een routineklus geweest, geheel in de lijn der verwachting, zoals ook het winnen van de Europacup een gewoonte leek. Een paar dagen feest, ridderordes voor alle spelers en trainers, weer over tot de orde van de dag en genieten van het Skûtsje Sielen of de najaarskermis. Na die strafschop van nummer 13 genadeloos doorharken, geen dreinend traag balletje rondtrappen, alsof je nog een paar minuten te spelen hebt bij een tignul voorsprong of je probeert jezelf te verheffen met verfijnd galleryplay, want daarmee versla je dit soort tegenstanders nooit, integendeel, de Bomber der Nation lijkt een reusachtig slapend kanon, maar gaat volgens een ijzeren wet af op momenten dat je het niet vermoedt. Aan de andere kant, tja, stond voor vriend én vijand de uitslag niet vooraf vast, namelijk vette winst voor de gestroomlijnde machinerie van Clockwork Orange? En werd die uitslag al niet na twee minuten bewaarheid? Waarom dan spelen als er geen noodzaak is? En als er geen noodzaak is om te spelen, is er dan een noodzaak om te winnen?

De DDR (waarvan de naam door de grootste pulpkrant van de Bondsrepubliek consequent tussen aanhalingstekens werd geschreven, alsof de DDR niet echt bestond), die had een noodzaak om te winnen en zij won dus van een tegenstander die op papier, op basis van uit het verleden behaalde resultaten en volgens het basisstelsel van de kansberekening beter was. De Oostduitsers wonnen - ze waren de enigen tijdens dat toernooi - van Westduitsers, de latere wereldkampioenen. In dezelfde valkuil – hoor je de televisiecommentator wanhopig ons lot beklagen als een aanzegger in een Griekse tragedie? – zijn wij gevallen en die noodlottige valkuil, jawel, maakt ons juist, om het grote woord maar te gebruiken, onsterfelijk. Alleen dankzij dit verlies leven wij voort in de harten van de voetballiefhebbers. We zouden ze eigenlijk erkentelijk moeten zijn dat ze slechts Vize-Weltmeister zijn geworden. De verliezer overstijgt de glorie van de winnaar, want ken je bijvoorbeeld alle spelers van de wereldkampioen van 1974?

Hoe uniek moet je zijn? Slechts twee Nederlandse voetballers hebben ooit een doelpunt gescoord in een WK-finale en in de ogen van mijn zoon van tien jaar weerspiegelt de droom dat hij de derde zal zijn of, in zijn visie nog beter, degene die als onnavolgbare regisseur de virtuoze, beslissende assist zal geven voor het winnende doelpunt. Tot die tijd aanbreekt, lezer, met de ene hand op het hart en de andere in eigen boezem: weet u de naam van die lange Groningse bloemist, clubspeler te Kaalheide, die vier jaar later als pinch-hitter de gelijkmaker scoorde in de WK-finale tegen Argentinië? Natuurlijke kende ik hem, de afstand tussen Terwinselen en Kaalheide kon kinderlijk eenvoudig te voet overbrugd worden.

Het geheugen is selectief en dat is goed, we slepen al genoeg ballast met ons mee, vooral dingen die niet meer noodzakelijk zijn, terwijl de dromen die ons groot maakten vaak besmuikt op de vuilnisbelt van de herinnering belanden. Dat is wat ik van jongs af geleerd heb, om dromen te koesteren. Niemand kan mijn dromen afnemen, zoals ik ook halsstarrig weiger de dromen van mijn kinderen door te prikken.

Waarom zie ik nu nog de pijnlijk holle blik in de ogen van de bezwete Cruijff, na afloop van zijn finale, alsof hij net door de poorten van de hel is gekomen. Slechts een enkeling weet dat het kabinet Den Uyl, volop aanwezig in het stadion in München, de Duitsers feliciteert met de overwinning. Joop den Uyl die vier dagen daarvoor, terwijl Oranje de regerende wereldkampioen Brazilië met 2-0 versloeg, een “persoonlijke nederlaag” had geleden, zoals de premier zelf zei, met de emotionele ontruiming door 120 standvastige mannen van de Zeister politie van paviljoen Lorentz op het terrein van de Willem Arntsz Stichting in Den Dolder, waar ik zelf decennia jaar later zou gaan werken, ongehinderd door deze geschiedenis. Waterkanonnen, een overvalwagen, afzethekken. Personeel werd gearresteerd, verstandelijk gehandicapten werden zonder pardon afgevoerd en honderden sympathisanten en familieleden werden van het terrein gezet. Met of zonder noodzaak, toen, in Terwinselen, trok die gebeurtenis ongehinderd aan mij voorbij en dat was goed. Een tienjarige jongen heeft in 1974 maar één droom. En nederlaag of niet, Den Uyl hobbelde in de tuin van het zonnige Catshuis vrolijk mee in de polonaise met de Nederlandse spelers en hun vrouwen. Dat ging mijn voorstellingsvermogen te buiten, een feest omdat je hebt verloren.

De herinnering aan dromen zijn vaak zoet, nog zoeter dan de melodie van Sugar Baby Love, terwijl de droom zelf al lang verwaaid is met een warme zomerbries die ooit over Terwinselen waaide, in de schaduw van de grote finale. Gelukkig zouden er nieuwe dromen voor me gekomen. Weliswaar andere dan in ’74, maar ik ben blijven dromen. Uit noodzaak.

Een voltreffer in de laatste seconden,
Gemaakt door een ongrijpbaar slangenmens,
Leek door de hemel te worden gezonden
Als antwoord op mijn vurigste wens.

Vernuftig vocht onze oranje leeuw
Zich door het vijandelijke strafschopgebied.
Zo'n kans kreeg je misschien eens per eeuw,
Of twee keer, hooguit, maar vaker niet.

De jongensdroom van een gouden finale
Werd van hogerhand zeer wreed verstoord.
Een godenzoon schoot op de paal en
Mijn droomgoal werd nooit gescoord.


Naar boven

20 / 1984
Het jaar van Orwell. Na enige omzwervingen was ik op eigen houtje in Maastricht beland, standvastig op weg om mijn toekomstvisioen stap voor stap vorm te geven, wars van Orwelliaanse profetieën, Koude Oorlog en kernraketten. Het Propaedeutisch Diploma Sociale Gezondheidskunde (experimentele studierichting) van de Rijksuniversiteit Limburg lag inmiddels weggestopt in een bureaula en ik ging door voor het doctoraal diploma. Ondanks mijn liefde voor de Letteren was ik na het gymnasium naar Maastricht afgereisd. Mijn hang naar vroeg negentiende eeuwse romantiek wilde ik op een andere manier tot volle wasdom laten komen, ik zocht iets gloednieuws, weg van platgebaande paden en verankerde tradities. Dat kon bij uitstek in een jonge universiteitsstad met een experimentele studierichting, die veel ruimte openliet voor de eigen interesse en creativiteit van de student. Dat was ongetwijfeld het magische woord dat me naar Maastricht trok: experimenteel. Zonder die kleine toevoeging tussen haakjes was ik vast en zeker ergens anders beland en u, lezer, misschien op een andere pagina dan deze. En ja, de studie die uit zou groeien tot Gezondheidswetenschappen bood een rijk multidisciplinair palet, bijna net zo gevarieerd als het leven zelf, een bonte verzameling aan vakgebieden die ik gebruikte om me vol te zuigen met kennis. Alle opties lagen nog steeds open, want voor poëzie had ik die experimentele opleiding niet nodig, integendeel, niets oogde zo doeltreffend als dor en droog wetenschappelijk proza, kleur- geur- en smaakloos en uiteraard falsificeerbaar, mits niet te rauw geserveerd ben je er in een mum klaar mee, ik verorberde het per strekkende meter, wetenschap als junkfood, zodat ik de ware fijnproever die in mij huisde voldoende tijd gunde voor de echt belangrijke dingen in het leven. Afstuderen werd kinderspel, een kwestie van tijd, nog twee jaartjes. In de tussentijd schreef ik, zo nu en dan, korte, satirische stukjes, sprankelend op de vierkante centimeter en, in een meer particuliere vorm, vrolijke brieven aan vrienden en vriendinnen die net als ik hun vleugels hadden uitgeslagen. 
Love is a battlefield luidde de nummer 1 hit in die dagen, maar ik had het domein van de hitparade inmiddels verlaten, hoewel ik af en toe nog eens omkeek, meewarig en soms ook blij verrast. Daarbij, ik zocht geen hartverscheurend slagveld, integendeel, ik vertoefde met de Kronprinzessin meiner Seele tussen de vervallen en verlaten kazematten van Maastricht en anders op de zachtgroene Zuid-Limburgse weiden. Nee, ons kregen ze niet gek.

1984, het onvergetelijke jaar waarop ik voor het eerst op vakantie ging (allerminst kinderspel) met het meisje waar ik mee samenwoonde. Ze was
ein tolles Mädel, zoals mijn eigen Wilhelm Sterk dat met zijn libretto ooit bedoeld moest hebben en ik denk dat Wilhelm ons met een glimlach bekeek vanaf zijn plaatsje tussen de sterren. In zijn hoogtijdagen had Wilhelm het geluk dat hij kon meeliften met begenadigde componisten, wier muziek hij met zijn teksten nog meer kon laten stralen. Hij stond in 1908 met een musical op Broadway. Mlle. Mischief zal in Europa als Crazy Girl wel Ein tolles Mädel zijn geweest. En door operettekoning Robert Stolz wordt hij nog steeds gezongen – zonder dat iemand weet dat het Wilhelm’s woorden zijn. Wien wird bei Nacht erst schön. De tand des tijds heeft hem niet vermalen.

Met mijn Mädel op vakantie. Met haar tent en de geleende Datsun Sunny van mijn moeder. Ik voelde me net zo gelukkig als tijdens die ongeëvenaarde voetbalzomer, tien jaar geleden. In de regen kookten we onder de krappe luifel op een gasbrandertje onze zelfbedachte eenpansgerechten, een volwaardig assortiment waar we een heel receptenboek mee konden vullen, culinair verantwoord en tegelijkertijd zeer praktisch. Misschien moesten we samen een restaurant beginnen, bedachten we, een beperkte menukaart met creatieve en voordelige maaltijden. Thuis kookten we zonder problemen complexe menu’s van zeven of acht gangen. Op vakantie in niemandsland. Big Brother zou ons nooit op eigen kracht weten te vinden, maar we waren de dubbelspionnen in de buitenwereld behulpzaam. Om ons thuisfront gerust te stellen meldden we af en toe waar we uithingen en spendeerden ons geld aan een buitenlandse telefooncel, die zakken vol waardeloze locale munten per minuut wegvrat alsof het niks voorstelde. De nostalgie van het pre-mobiele telefoontijdperk, een internetloze droomwereld, waarbij het fameuze jaar van Big Brother vandaag onschuldiger oogt dan we ons toen konden voorstellen. Je zou er weemoedig van worden.

Een stralende ochtend in de lente.
De hele straat rook zoet naar jouw
Warme appeltaart met kaneel en krenten.
De hemel kleurde kinderbedjesblauw.

Ik veegde wat kruimels van het tafelkleed.
Zonlicht scheen bemoedigend door de ruiten.
En terwijl jij het gebak aansneed
Zag ik nog in een flits hoe buiten

In de ontluikende tuin Markies en
Sancho broederlijk een vreemde kater
Verdreven. Een moment om in te vriezen,
Maar dat begreep ik pas veel later.


Naar boven

30 / 1994
In 1994 wisselde ik van werk. Na de psychiatrie bij de Willem Arntsz Hoeve koos ik voor de beste ziekenhuizen van Noord-Limburg. Onbedoeld een vorm van thuiskomen, maar dan anders. Mijn lief, inmiddels zwanger van ons eerste kind, had gelijktijdig in een van haar andere gedaantes een baan centraal in Limburg bemachtigd. Een perfecte timing, ingegeven door het verbond van twee zielsverwanten met dezelfde hartslag. We verhuisden naar een voor ons beiden strategische plaats, waar we met onze twee katten neerstreken in het oudste huis van de straat, een gebouw dat vele stormen had doorstaan, ooit zelfs genomineerd was om gesloopt te worden om vervolgens waardig te herrijzen, kortom een huis dat zeker niet opschrok van iets onnozels als nieuwe bewoners. Voor dit stokoude huis bleven wij slechts gasten, hoeveel we ook verspijkerden. Met respect bereidden wij dit huis, dat we nu rechtmatig ons eigendom mochten noemen, voor op andere tijden. Een toekomst van jonge ouders met kinderen, stuk voor stuk vreselijke huilbaby’s die ons tot wanhoop dreven, zou later blijken (van mij, de braafste baby aan de stroom van de Maas sinds mensenheugenis, hadden ze dat niet), maar dat wisten we in die hoopvolle dagen gelukkig niet, hoewel dit huis ons later zou leren dat elke storm ooit zou gaan liggen. Onder dit dak en tussen de kieren ademde de poëzie die ik nodig had. Dit huis had een eigen wil en een eigen karakter, omdat ergens tussen de kelder en de nok, tussen die ontelbare verweerde stenen, een geest woonde, soms vriendelijk, soms knorrig, daar konden geen wiegeliedjes tegenop, zelfs niet van oma de waarzegster. Alleen onze katten leken echt te begrijpen wat er zich in de ziel van dit huis afspeelde, maar zij waren gezegend met meerdere levens en magische ogen. Dat schiep een band tussen kat en huisgeest, een generatiegenoot van onze eigen Wilhelm, die precies vijftig jaar geleden overleed. Daarom hier, onze genius domus zelf aan het woord bij de geboorte van een nieuwe bewoner.

Ik huis hier haast honderd jaar
In dit honderdduizend brikkig karkas.
Een solide fort, al staat niets waterpas;
Voor mij is dit een prachtexemplaar.

Al die bewoners zie ik zonneklaar,
Ook door een beslagen vensterglas.
Vertel mij niets over dit mensenras!
Ze wanen zich mijn eigenaar

- Een misvatting die niet wil wijken,
Zelfs niet onder de meest briljanten
Of zij die daarop menen te lijken –

Maar het blijven slechts passanten
Die mijn bestaan af en toe verrijken
Met het geluid uit kinderledikanten.


Naar boven

40 / 2004
De tijd van een werkzaam leven in loondienst, dat nauwkeurig werd uitgedrukt in een FTE-percentage, met ADV-dagen, spaarloonregelingen en CAO-bepalingen, lag achter me. Ik had een nuttig boekje geschreven waar ook de vakidioten in de gezondheidszorg mee ingenomen waren en dus struinde ik op veler verzoek door het land om de broeders en zusters te helpen om die blijde boodschap in praktijk te brengen. Van Drachten tot Maastricht vielen woord en gebaar samen en zelfs op de overzeese delen van het koninkrijk werd aandachtig naar mijn verhaal geluisterd. Droom en daad als harmonisch geheel, volgens de regels van het spel en noodlot af en toe gehinderd door wetten of praktische bezwaren, maar ook die kliffen werden stelselmatig omzeild, met een poëtische kracht waardoor op den duur elke arbeid vanzelf adelt. Hiermee kreeg ik zelfs Oblomov aan het dansen. Dankzij de wet van behoud van energie leverde dit een nieuwe stroom op, want datzelfde jaar stond ik met wat andere leden van de rebellenclub aan de wieg van een gezelschap dat de acute medische hulp bij sportevenementen zou gaan verzorgen, een blauwzwaailicht-hobby die natuurlijk weer heerlijk uit de hand zou lopen, niet altijd volgens plan, met hoogte- en dieptepunten, net als het leven zelf. Behalve bij bekende sporten als wielrennen, atletiek of turnen mocht het medische team bijvoorbeeld aantreden op het WK IJslandse paarden. Zelf had ik ooit in ons kinderloze tijdperk op zo’n paardje door de IJslandse woestijn gereden. Ik ben geen ervaren ruiter, maar toen voelde ik me net cowboy John Wayne, op weg naar het einde van de eenzame horizon, nadat hij het Kwaad heldhaftig en eigenhandig uit de weg had geruimd. Gedroomd paardrijden, zoiets, maar dan op mijn manier.

Mijn dromen kwamen niet geheel toevalligerwijs tot stand, mijn schrijfwerk evenmin. Sterker: omdat het noodlot heeft bepaald waar de grenzen van het toeval vervagen, ontdekte ik
Dorine en het toeval, een vertaling uit de jaren vijftig van de tekst die Wilhelm Sterk met een collega schreef voor een muziekstuk uit 1922. Voor de rest van de wereld oogde hij uitgedoofd, maar de ster waar Wilhelm vertoefde straalde voor mij steeds krachtiger. Speciaal voor mij strooide hij het fijnste sterrenstof, verleidde mij met zijn hemelse combinatie van woord en klank en splitste me al jaren iets nieuws in de maag, zoals nu: zijn vergeten libretto Ein bischen Seide – und darin Du! Zijn vriend Robert Stolz zou later zijn Venus in Seide componeren, een Venus van geheel ander allure dan Venus im Pelz van Leopold von Sacher-Masoch of de muzikale Venus in Furs van de Velvet Underground. Ieder droomt uiteindelijk van zijn eigen godin. Bevoorrecht als ik was, school in mijn eigen tolles Mädel, volgens de eeuwenoude principes van de ovidiaanse metamorfose, uiteindelijk een waarachtige nimf, al dan niet in een beetje zijde gekleed. Kenners zouden zeggen: een bosnimf, maar ik ben daar niet zo zeker van.

Het schemerspel dat Wilhelm Sterk speelde en mijn liefde voor muziek klonterden volgens onbegrepen wetten samen tot de materie die zou uitgroeien tot mijn roman
Via sterren en zeemeerminnen. Buiten de grenzen van onze achtertuin en desondanks ruim binnen de gehoorafstand van onze huisgeest, trad de Amerikaanse muziekgroep Wilco op. Ik volgde hen haast tien jaar. Vol ongeduld kocht ik zelfs ooit in 1999, heet van de productielijn, voor een kleine tien dollar in Boston hun laatste CD, die toen net verschenen was. Vanzelfsprekend dat mijn alarmbellen gingen rinkelen, hier kwam Wilco in levenden lijve, inclusief een gloednieuw album vol bezworen geesten. Dat mocht ik niet missen. Het kon geen toeval meer zijn, Wilco met de fris herboren Jeff Tweedy, vrij van de demonen die in zijn hoofd zwierven. Daar stond ik op de eerste rij, oog in oog met de band.  Hun memorabele optreden gloeide lang na en onze huisgeest, die van een afstand onopvallend mee had geluisterd, fluisterde mij beetje bij beetje iets in het oor. Ik hoefde alleen maar te luisteren, tenminste in het begin. Uiteindelijk drong hij volhardend aan dat ik de logica van zijn puzzelstukjes op moest schrijven, waarbij de godin in zijde vervangen werd door een meermin die vanachter prikkeldraad lonkte – hoe kun je je huisgeest zoiets weigeren? Van Wilhelm naar Wilco. Het hele verhaal zou zich openbaren in de gedaante van de pelgrimstocht die Via sterren en zeemeerminnen heette, geen vaudeville operette of gedichtencyclus, eerder een rock ‘n’ roll road novel. Voor mij de geschiedenis van een nieuw begin, dat in de sterren geschreven leek, terwijl ik nooit horoscopen las. Iemand daarboven hield van mij, maar dat wist ik al.

De dag dat de laatste dichter stierf,
Ging haast ongemerkt voorbij.
Terwijl zijn ziel tussen de sterren zwierf
Stond ik bij de autowasserij.

De wachttijd liep op tot liefst drie kwartier.
Vreemd genoeg verviel niemand in razernij.
Vol berusting sloot ieder zijn portier
Voor benzinedampen, gelukkig loodvrij.

De inslag van een ontembare meteoriet
Zorgde voor een gruwzame slachtpartij.
Toch waaide door het schroot een liefdeslied.
Nee, iemand daarboven hield van mij.


Naar boven