PROZA

Rundvet (v.g.b.) [column]
Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (1)
Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (2)
Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (3)

Rundvet (v.g.b.)
Omdat de instelling waar ik werkte geïnteresseerd raakte in het oordeel van haar patiënten, was ik in de gelukkige omstandigheid om hen aan het woord te laten over de dingen die zij zelf belangrijk vonden. Werd tot voorheen steeds door anderen bedacht wat goed was voor patiënten, nu mocht ik een bescheiden poging wagen om het aloude motto 'de klant is koning' voor de psychiatrie enig leven in te blazen. Misschien is het nu gemeengoed geworden, maar nog geen twintig jaar geleden leken dit soort innovaties haast revolutionair. Patiëntgericht werken, zorg op maat, patiëntenfeedback, integrerende verpleging, multifunktionele eenheden, bed op recept, de tranen sprongen in je ogen van ontroering. De instelling had echt het beste met haar patiënten voor.
Op zoek naar hun kwaliteitsoordeel kwam ik via een steekproef terecht bij een patiënt die op grond van zijn ziektegeschiedenis bij de hulpverleners geclassificeerd stond als 'bewoner'. Een onberispelijke heer, keurig in het pak, degelijk gepoetste schoenen. Zijn woordkeus was uiterst beschaafd, lichtelijk archaïsch zelfs. Als het begrip 'kwaliteit' ergens op van toepassing was, dan was het wel deze man.
Hij woonde in de instelling, hij sprak zelf niet van een behandeling. Ja, hij voerde wel eens een gesprek met een dokter, niet vaak hoor, welnee. Een aardige dokter, maar je schoot er niet veel mee op. Het meeste kontakt had hij met de verpleging.
'Het zijn aardige mensen, ze bedoelen het goed. Op hun manier dan.'
Het ging om de intentie, nietwaar.
Ik legde uit waarom ik met hem wilde spreken. Vol enthousiasme ging hij op mijn vragen in. Ik nam de tijd voor hem en hij greep die kans met beide handen aan. Een gewillig oor is schaars dezer dagen.
Hij verzocht me vriendelijk of we ons gesprek al wandelend over het terrein mochten voeren. Het was rustig weer en ik stemde er mee in. We liepen tussen statige vooroorlogse paviljoenen met klinkende namen: Spinoza, Camper, Wier, Van Leeuwenhoek, Winkler, Van ’t Hoff, Eijkman. Af en toe ging zo’n monument van vergane glorie plat. Nieuwe tijden, nieuwe inzichten. De sloophamer zorgde voor de opruiming, die alleen aan gebouwen was voorbehouden. Deze week viel het doek voor paviljoen Eijkman. De laatste dagen van een al jaren leegstaand paviljoen waren aangebroken. Roodbruin baksteen, schuin dak. De deur was deze keer niet op slot, een uitnodigend gebaar naar de slopers. Hij opende de deur en we liepen samen het lege pand in, hoge kamers, hoge ramen. Verrassend veel daglicht, vergeleken met de donkerbruine buitenkant van het gebouw. We zochten onze weg tot de zolder en vonden daar  tot onze vreugde op stoffige legplanken een stapel rapportageschriften met harde kaft uit de jaren zestig. Een afdeling vol bedlegerige mevrouwen en mejuffrouwen.
‘Dit is ver voor mijn tijd,’ zei hij.
We bladerden nieuwsgierig door de notities van de zusters, zoals die zich zelf noemden. Momentopnamen, per dienst een of twee treurige regels per patiënt.
“Mevr. V.: Nog wat verdrietig, omdat haar zoontje niet geweest was. Hoopt nog dat hij morgen komt. “
“Mevr. M: vroeg of ze niet wat voor de zenuwen kon krijgen, want ze was aldoor zo nerveus. Mevr. is erg lief voor haar medepatiënten.”
 “Mevr. H.: nog erg angstig, mevr. huilde af en toe, zei dat ze dacht dat de andere dames haar haten. Mevr. had de hele dag een erg rood voorhoofd en transpireerde erg.”
“Mevr. L.: Bleef de hele dag in bed. Huilde krokodillentranen als de zr. bij haar kwam. Zei het leven niet meer aan te kunnen, werd toch nooit meer beter. Liet zich gewillig verzorgen door mej. M.”
“De dames H., V., K. en R. zijn samen naar een of andere muziekuitvoering op Donders geweest. Hebben beloofd samen weer thuis te komen na afloop.”
Na elke overdracht eindigde de verpleging met “v.g.b.” Verder geen bijzonderheden.

Ik nam dit stapeltje verloren gewaande schriften mee. Dat is wat overblijft van jarenlange zorg, kilo’s aantekeningen met als slotsom v.g.b. Zo zal het ook gaan zodra ik hier de deur achter me dicht trek. Over dertig jaar weet niemand meer hoe deze psychiatrische instelling veranderde, of de organisatie hier letterlijk of figuurlijk gesloopt werd. Patiënten, personeel, bestuurders, ze komen en gaan, ik heb het gezien, ik ben er geweest, ik zou mijn initialen in de muren van Eijkman moeten krassen, zodat ze morgen ongezien konden verwaaien met het gruis.

We spraken over de dagelijkse gang van zaken op de afdeling. De huisregels, de medebewoners, de maaltijden. Meestal gaf het eten aanleiding tot een klaagzang, maar deze man verraste mij.
'Het eten is goed! Natuurlijk, hier en daar is er wel wat op aan te merken. Neem nou de aardappels. Een aardappel moet bloemig zijn en niet stukgekookt zoals hier. Bloemig. Zoals het vroeger was. Dat kunnen ze hier niet. Dat ligt ook aan de bereidingswijze, in die grote ketels. Ze doen hun best, op hun manier. Maar weet u wat ik eigenlijk het ergste vind?’
Hij gaf me geen kans om te antwoorden.
‘Dat vlees hier, ik mis het rundvet.'
'U mist het rundvet?' vroeg ik verbaasd. Dankzij mijn fabuleuze interviewtechniek beheerste ik gelukkig de kunst om op een gepast moment iets te herhalen.
'Ja, de koeien, ach, ik vertel u toch niets nieuws: vroeger was alles beter. Die koeien van nu, u bent niet beter gewend maar vroeger... Rundvet, ik vond het héérlijk. Trouwens, houdt u van roomsche humor?'
Hierna volgde bijna een kwartier lang een one-man-show in de beste traditie van de Lachende Kerk. Ik begreep waarom het vroeger beter was. Vroeger, ja je had niet veel, je werkte hard, maar je was tevreden. Vakantie, dat kende je niet.
Ik wilde weten of hij daar nu dan behoefte aan had.
'Vakantie, welnee, zolang van huis, dat hoeft niet.'
'Een uitstapje dan, een dagtochtje, met mensen van de afdeling,' probeerde ik.
'Nee, dat is allemaal niks voor mij. Wat moet ik ergens anders? Wat moet ik met andere mensen? Nee, voor mij hoeft dat allemaal niet. Ik ben een vorser op de vierkante meter.'
Hij glimlachte toen hij dat zei.
Ik liet de laatste zin even tot mij door dringen. Veel tijd om te reageren kreeg ik niet, want hij was alweer begonnen aan een mop over de paus en de aartsbisschop.
'U houdt toch van roomsche humor, meneer?'

Naar boven... 

Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (1)
Een natte dag, omfloerst in stille grijstinten. Aan de overzijde van het terrein stak het karakteristieke silhouet van de St. Odamolen gitzwart af tegen de bewolking, een geperforeerd kruisteken tegen een dreigende hemel. Het afsmeken van een enkele zonnestraal bij de heilige Oda leidde tot niets. Nu behoorde zij niet tot de geschiktste patronessen voor deze bede, want volgens de overlevering was de mooie koningsdochter Oda stekeblind, maar bracht haar bedevaart naar het graf van de heilige Lambertus een wonderbaarlijke genezing. Daarom kon je bij Oda beter terecht voor bescherming tegen oogkwalen en blindheid, want voor een prinses van de duisternis met meer licht in haar hart dan haar ogen deden donkere wolken en regendruppels er natuurlijk niet toe. En met Lambertus schoten we op deze plek evenmin iets op, want als parochieheilige van het naburige Neejwieërt, hemelsbreed een paar kilometer hier vandaan, reikte zijn invloed net niet tot de gewijde Odavelden. Mijn moeders moeder had bij uitstek geweten welke heilige je in dit geval het beste aan kon roepen, maar ik wist intussen dat niet elke schutspatroon even goed zijn vak beheerste wanneer het er echt op aankwam.

Ik zocht de overbevolkte, droge tent op, door de organisatie heroïsch omgedoopt tot ‘rockstage’, waar noest werkende artiesten bakken herrie over hun toeschouwers uitsmeten. Een muffe lucht van nat gras, koud zweet en dood bier. Onder normale omstandigheden vluchtte ik terug de regen in. Ik bleef volhardend. Deze vorm van boetedoening behoorde juist tot een vitaal onderdeel van de pelgrimstocht, waar het louterende karakter van moest zegevieren, hoopte ik.
De zon vrat mondjesmaat een gat door de wolken en het klaarde op.
De dondergod hield van hardrock. Hij wel.

Naar boven...

Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (2)
Ze dweepte met jou, en terecht. Omdat jij me uit het grijze schemergebied haalde, waarin Stella me eenzaam had achtergelaten, genoot jij bij mijn moeder een koninklijke status en vulde je ook bij haar het gat, dat Stella had geslagen. Ik voelde me getroost toen je naast me stond, de dag dat we Mamma ten grave droegen. Dit was onvermijdelijk een opdracht voor twee en aan mijn zijde toonde jij je een waardige vervanger voor Stella. Tijdens de uitvaart werd door één enkele zangeres a capella en met de allure van een hemelse operadiva ‘t Kapelke vertolkt, dat meesterlijke lied van de ontslapen Harry Bordon, het tastbare bewijs dat Venlo’s zonen uit een gouden ei konden komen. Het leek daarom geen oefening in geduld, maar een geval van goddelijke wispelturigheid dat zelfs de engelenkoren tot nu toe verzuimd hadden zich in de taal van ’t Kapelke uit te drukken. Chorus angelorum te suscipiat, Harry Bordon was blijkbaar nog niet in staat geweest om het ontvangstcomité aan de hemelpoort te overtuigen van een liturgisch waardig alternatief, maar misschien was het ook daarboven toch vooral een kwestie van lijdzaamheid en rustig wachten tot de dag des oordeels.
A capella, letterlijk betekende dit ‘op de kapelmanier’ en op geen betere wijze kon ’t Kapelke worden uitgevoerd, daar, in die oude, kleine kerk waar we afscheid van Mamma namen. Dit eerbetoon galmde vogelvrij over de treurende menigte en telkens wanneer ik daar aan dacht sprongen de tranen in mijn ogen. Bij wie niet, alleen een ijsberenjong hield het droog.

Naar boven...

Fragment uit Via sterren en zeemeerminnen (3)
Na een paar uurtjes rijden belandde ik in Bloomsburg, Pennsylvania, waar ik redelijk snel een typisch doorsneehotel vond. (Gründlich luidde Cathy’s kwalificatie later.) Geen al te grote bedrijvigheid hier in oktober en om de verveling van beide kanten de kop in te drukken knoopten de receptioniste annex barkeepster en ik een gesprek aan, met een immens koel glas Budweiser voor mijn neus, een soort kinderbier, zou jij gruwend gezegd hebben. Jij kwam vroeger regelmatig voor je werk in Amerika, sterker, het fameuze hoofdkantoor stond in Boston, en je dronk bij je gastheren daarom slechts Heineken, met de smoes dat je daarmee de vaderlandse economie steunde. Een leugentje om bestwil. Bloomsburg kende in de wijde omgeving geen trappistenbrouwerij.
De receptioniste achter de balie had een onbestemde leeftijd (dus vijfendertig). Ze vroeg conform de hartelijke basisregels van eenvoudige conversatie waar ik vandaan kwam en ik vertelde dat ik dit grootse land vanuit Boston aan het verkennen was. Ze leek speciale belangstelling voor Boston aan de dag te leggen en van mijn ervaringen in die stad kreeg ze zichtbaar geen genoeg. Mijn tegenzet: háár verhalen over Boston. Ik schoot prompt raak, als bij een spelletje zeeslag: ze had er jarenlang gewoond, gestudeerd, gewerkt. En liefgehad.

“Weet je, in het begin is alles koek en ei. L’ amour, nietwaar? Totdat zich een nieuwe routine gaat vormen, waarin zijn wereld en die van jou een balans moeten vinden, soms moeizaam, met horten en stoten. Heb jij een partner?”
Snel schudde ik mijn hoofd. Wat had ik anders moeten doen? Wachten tot een haan kraaide?
“En dan komen ongemerkt de kleine, onschuldige dingen, trivia, die je aan de buitenkant niet kunt waarnemen, maar die van binnen het karakter van iemand kleuren. Ik zal je een klein voorbeeld geven.
Wasgoed, deel 1. Een gewassen en gedroogde theedoek moet weer worden opgevouwen, daar is ieder weldenkend mens het om praktische redenen mee eens. Is het jou ooit opgevallen dat een theedoek nooit echt een zuiver vierkant is? De, laten we het horizontale zijde noemen, is soms net een ietsiepietsietieniewienie korter, dan de verticale zijde, probeer of je het even voor de geest kunt halen. Dan gaan we vouwen. Stap 1. Je legt de theedoek recht voor je en vouwt hem dubbel. En dan, hoe gaan we verder: je kunt hem nu een slag naar voren vouwen, zodat je een langwerpige lap krijgt of je kunt hem van links naar rechts vouwen waarmee je een vierkante doek krijgt, die op zich net te groot is om in de kast te leggen. Bij de langwerpige doek moet je hem weer twee keer in de breedte dubbelklappen en dan krijg je de gewenste opgevouwen theedoek. Vanuit het grotere vierkant zul je nog een keer naar voren door het midden moeten vouwen en dan naar links of rechts, of omgekeerd eerst van links naar rechts en dan naar voren. Enfin, doe dit maar eens en je zult zien, dat die gevouwen theedoeken er net iets anders uitzien, ze zijn niet identiek, vooral omdat het er toe doet of je met de oorspronkelijke net iets langere zijde of de korte zijde bent gaan vouwen. Natuurlijk, je kunt ze netjes opstapelen; nuanceverschillen maken dat er geen uniform beeld ontstaat.

Wasgoed, deel 2. De onderbroek, de slip. Hierin bestaat een grof onderscheid tussen een dames- en een herenslip. Kenmerkend van beide traditionele modellen is dat de achterzijde, de kont zogezegd, meer stof bevat dan de voorzijde. We hebben het hier niet over strings en andere lingerieke ongemakken. We nemen een schone, gewassen onderbroek en leggen die met de kont op de rug, zal ik maar zeggen en met het elastiek van de taille naar je toe en de beenholtes van je af. Ja, volg je me nog? Okay. Dan vouw je de linker- en rechterzijde naar binnen en klap je vervolgens het stuk stof dat zich ter hoogte van de genitaliën bevindt naar je toe. Eenvoudig, nietwaar? En nu nemen we de variant dat je de kont van de broek naar jou toedraait en dan ga je weer vouwen, links rechts en klap naar binnen? Zie je het verschil? Opmerkelijk, nietwaar? Er zijn dus minimaal twee manieren om een slip te vouwen, maar welke is nu de juiste? Ik zal je helpen, want ik zie aan je wanhopige blik dat je hier niet uit komt of dat de essentie van dit vraagstuk niet in volle proporties tot je doordringt. Ik weet het nu, het heeft me jaren gekost. Ik leefde ooit samen met een partner die me overtuigend wist te vertellen dat je de meisjesslips conform de zojuist gedemonstreerde variant twee diende op te vouwen en de herenslips conform variant numero uno. Vraag mij niet waarom dit precies het geval is, mijn intelligentie is daarvoor te beperkt, ik werk immers niet voor niets hier en niet op Harvard. Zo luidden de ijzeren regels van mijn geliefde partner, die hiermee stijlvast aansloot in de klassieke traditie van diens moeder, die hem de kunst, want dat is het toch, laten we het eerlijk toegeven, van het vouwen van wasgoed had geleerd. Origami voor huisvrouwen en sinds de feministische golf wordt deze onderschatte vaardigheid blijkbaar ook langzaamaan onder vooruitstrevende mannen verspreid. Het zal vast en zeker een paar generaties kosten eer dit revolutionaire systeem tot de diepste lagen der bevolking is doorgedrongen, maar niets staat de wereldvrede in de weg, want daar is het ze uiteindelijk met hun harmonieuze yin en yang huishoudtechniek om te doen. Je begrijpt dat ik deze moeilijke stap naar de wereldvrede niet wilde blokkeren, dus deed de robot die in mij woont haar stinkende best om de was zorgvuldig te vouwen, links rechts midden dubbel puntje op puntje. Wat ik ook probeerde, het lukte mij helaas heel moeizaam. In plaats van dat ik met mijn volle verstand tegen mijn partner zei: zoek het lekker zelf uit met die stomme onderbroeken van jou, deed ik juist krampachtige pogingen om aan deze ongeschreven eisen van perfectie te voldoen. De wereldvrede begint immers bij jezelf nietwaar? Nerveus werd ik ervan. Hoe vaak ben ik niet opnieuw begonnen, met de stapeltjes handdoeken, T-shirts, hemden, noem maar op, ik voelde me wezelig bij de gedachte aan het vakkundige oordeel van mijn geliefde, die het klaar kreeg om de was die ik al netjes, na lang ploeteren en vaak hervouwen, in de kast had gelegd er doodleuk weer uit te halen en deze onbekommerd, hoppa, in een oogwenk, een paar millimeter herschikte tot het niveau van volmaaktheid. Je weet, sommige gewoontes en werkwijzen passen zich aan en vinden hun gezamenlijke weg naar een nieuwe status quo van geluk. Ik heb veel dingen gedaan in mijn bestaan, veel mensen het leven gered, maar het vouwen van wasgoed mijd ik als de dodelijkste ziekte. Sinds ik dat helder durf te benoemen, draagt hij het voorvoegsel ‘ex’. Kortom: een uiterst leerzame tijd.”

Naar boven...