APOSTEL VAN TRICHT (2011)

In “Apostel van Tricht” meent Zefan dat al het leven om hem heen door een veldslag is vernietigd. Zodra hij de zwijgzame Anna ontmoet en vervolgens de geniale, maar egocentrische Johan, dringt door welke catastrofe zich echt heeft voltrokken en waarom juist dit drietal mocht overblijven. Samen stuiten ze op de puinhopen van Maastricht. Als zelfbenoemde architect van de nieuwe wereld onthult Johan zijn visie op de toekomst. Om te overleven trekt hij alle registers open, ook de ondenkbare. Eer het zover is moeten heel wat geheimen ontrafeld worden, waaronder de symbolen van de Noodkist met relieken van Sint-Servaas, de eerste bisschop van de Lage Landen. 

Over Apostel van Tricht
L1 radio - Balkon van Limburg
: "Een geweldig boek."
Leestafel: “Het is een verhaal dat zich moeilijk laat beschrijven. Iedere lezer mag er een eigen uitleg aan geven, alles is mogelijk. Het is een boek vol symboliek. Ik weet niet precies wat ik gelezen heb, maar er zijn beelden die blijven hangen, een somber beeld. Er zitten thrillerachtige elementen in, vooral op het laatst, wat de verwarring nog groter maakt.”

Crimezone: "Apostel van Tricht is een mix van fantasie en historische feiten, in een ongewoon verhaal gegoten. Een verhaal ook dat moeilijk te categoriseren valt." 

De Boekenkast: "Apostel van Tricht is een prachtig boek waarin er steeds een mysterieuze sfeer hangt. Het boek leest vlot en als lezer ben je steeds benieuwd wat er komen zal. Paul Sterk neemt je mee in zijn verhaal en laat je niet meer los. De situatie wordt steeds zodanig omschreven dat je het gevoel hebt dat je zelf middenin het verhaal zit."

NBD/Biblion: "In deze apocalyptische roman wordt het (bijna) einde van de wereld verplaatst naar een Midden- en West-Europees gebied. Er is schijnbaar sprake van een bovennatuurlijk – goddelijk – ingrijpen. Slechts zeer weinigen overleven. In Maastricht (Tricht) krijgt dit alles en betekenis en een uitkomst. In deze thrillerachtige roman, die vaag doet denken aan John Wyndham: ‘The Triffids’ en aan Stephen King: ‘The Stand’, speelt uiteindelijk het noodlot een doorslaggevende rol. Zoals in het genre gebruikelijk gloort toch een toekomst. De auteur weet een goed geschreven en interessant verhaal neer te zetten."

Chapeau magazine: "Apostel van Tricht is één van de mooiere titels in de Limburgse letteren van dit jaar. Paul Sterk heeft een talent voor het uitkiezen van mooie titels.

Zijn debuutroman droeg de dromerige naam Via sterren en zeemeerminnen. In Apostel van Tricht fabuleert Paul Sterk erop los, al weeft hij achteloos historische feiten door zijn verhaal. Een mooie balans ontstaat hierdoor tussen feit en fictie. De roman leest prettig, en heeft charme.  Verfrissend en op het ongeloofwaardige af, maar op zo’n charmante wijze dat het de lezer niet van de tekst vervreemdt. Zodat Sterk uiteindelijk een roman aflevert die in de buurt komt van de mooiheid van de titel die hij draagt."



 Apostel van Tricht, voorgelezen door Paul Sterk, Maastricht 25-09-11 - Foto Jeroen Bosman      Boeken en publiek tijdens de presentatie van Apostel van Tricht, 25-09-11. Foto: Jeroen Bosman

Eerste hoofdstuk

Ik kende God alleen van de gravures van Gustave Doré. Blijkbaar was dit precies genoeg om gered te worden. Tot nu toe dan. Ik mocht de prenten bekijken wanneer ik bij K. over de vloer kwam. Zoals alle anderen verdween K. van het gigantische slagveld, ondanks dat hij sinds zijn kindertijd tienduizenden gebeden tot God en Zijn Familie had gericht. We noemden hem K. omdat hij die letter altijd trots tussen zijn voor- en achternaam schreef. Dat zag je ook bij president James K. Polk, zonder dat iemand enig benul had wat die K. in zijn naam eigenlijk betekende.
K. was een stuk ouder dan ik. Geen verkeerde kerel. Hij had de beste bedoelingen met mij. Sinds jaar en dag woonde hij alleen. In zijn woonkamer stonden zeven houten heiligenbeelden uit de middeleeuwen. Hij koesterde zijn beelden en gelukkig heeft hij niet geweten wat zijn kunstschatten in de storm te verduren kregen. Misschien dat ik daar ooit terugkom. Veel soeps verwacht ik daar niet meer aan te treffen. Waar wel, tegenwoordig.
Een gastvrij man, absoluut niet krenterig. Je kreeg nooit accuzuur of mottenballensap. Hij schonk steevast vers gemalen bonenkoffie met een lekker glaasje erbij. En stichtelijk, je zou het aan de buitenkant niet van hem zeggen. Maar zodra je over de herkomst van die beelden begon, hulde hij zich met de vastberadenheid van een rondetafelridder in nevelen. Je hoefde geen kenner te zijn om te begrijpen dat deze stoet een vermogen waard was. Een bijzondere belegging. Onze soldij liet weinig uitspattingen toe. Je was al blij wanneer je na een veldtocht, voordat je je plunjebaal met wasgoed op je matras smeet, eerst de geur en warmte van een vrouw kon opzoeken, iets wat K. zichzelf niet wilde ontzeggen. Over zijn verleden kreeg je bij K. weinig los. Spraakzaam als een rauwe mossel. Boze tongen beweerden dat die beelden langs donkere wegen in zijn huis waren beland. Ik weet dat je de doden moet laten rusten en het is niet om kwaad te spreken, maar K. vertoonde allesbehalve de kenmerken van het braafste jongetje van de klas. Ach ja, dat kon je per slot van rekening over niemand van ons zeggen. Aan de andere kant mocht je K. geen geldwolf noemen. Hij voelde nooit de drang om zijn antiek te verhandelen. Een beeldje minder zou niemand snel missen, leek mij. Ik zou er allang eentje hebben verpatst.
Elke dag van de week kende een eigen heilige. K. genoot van die symboliek. Zelf wist ik er weinig van, behalve dat mijn moeder te pas en te onpas over de IJsheiligen sprak. Dat had iets met nachtvorst in mei te maken, want mijn moeder hechtte vooral waarde aan zonneschijn. Het aanroepen van heiligen was haar verder vreemd.
Vol toewijding vertelde K. over zijn schutspatroon Amandus. Uiteraard had ik nooit eerder van hem gehoord. In zijn kinderjaren kreeg K. rode vlekjes en blaasjes in zijn gezicht. Ze veroorzaakten veel pijn en jeuk. Zijn moeder zocht eerst haar toevlucht in gebeden. In geval van nood kon ze altijd nog een arts raadplegen. Toen de huiduitslag na twee weken verdween zag ze dit als teken van Sint-Amandus. Niet alleen in geval van huidziekten, ook bij verlamming, koorts, reuma, oogklachten en stuipen was Amandus de aangewezen patroon. Een heilige die van alle markten thuis was.
Echt iets voor K. Met de zes andere heiligen completeerde K. een breed palet aan hoeders van huis en haard. Spreiding van risico.
De beelden waren uit massief hout gesneden. De maker van Servaas had de vrijheid genomen om aan zijn kunstwerk een detail toe te voegen. De heilige hield een zilveren sleutel vast. K. wees me er speciaal op, want de andere heiligen waren alleen uit hout gesneden. Deze frivoliteit maakte het beeld extra waardevol. Servaas beschermde je tegen ratten en muizen en bracht hulp bij pijnlijke botten en voeten. En hij bezat net als Amandus meerdere gaven, want hij behoorde tot de IJsheiligen. Mijn moeder had dat gezelschap niet uit haar dikke duim gezogen. Los daarvan was het aantoonbaar juist: ongedierte trok stilletjes aan K.’s huisje voorbij. De heilige Lambertus, patroon van tandartsen, chirurgen, metselaars, boeren en schoenmakers genoot een eervolle plaats tussen zijn collega’s. Verder herinner ik me Hubertus. De beschermer van de jagers hield een gewei in zijn hand. Maar van K.’s heiligen mocht Theodardus het meest op mijn sympathie rekenen. Ik weet: dat lag aan het zwaard dat door zijn hoofd stak. Kennelijk was hij op die manier aan zijn einde gekomen. Toen het er later op aankwam kreeg ik ook bij hem geen gehoor. Het verbaasde me niet. In de praktijk had je meer aan een levende zondaar dan aan zeven dode heiligen.
Ik bad nooit, tenzij je mijn stopwoorden wilde zien als het aanroepen van het Opperwezen. K. stoorde zich aan wat hij afwisselend mijn goddeloze domheid of mijn domme goddeloosheid noemde. Geen idee wat het zwaarste woog.
“Je bent veel slimmer dan iedereen denkt,” zei K. “Af en toe lijkt het of je in een camouflagepakje van het merk Dummie & Dommie bent gekropen. Maar je Schepper kijkt dwars door je heen. Hem bedonder je niet. Het wordt tijd dat je je kwaliteiten gaat benutten. En wees gerust, Hij zal je helpen op je pad.”
Zijn bekeringsdrift liep op niets uit. Met die goddeloosheid kon ik me achteraf gelukkig prijzen. Ik leefde tenminste. K. misschien ook nog, maar dan ergens anders. Zijn God hield er een vreemd gevoel voor humor op na. En een ondoorgrondelijke logica. Je zou haast denken dat God een vrouw was. Ik wist beter.
In K.’s boekenkast stond een Bijbel met bladvullende illustraties van Gustave Doré. Wanneer ik bij hem thuis kwam bladerde ik door dit standaardwerk heen. Ik zoog de beelden in me op, net zolang tot ik ze met gesloten ogen kon uittekenen. De tekst las ik vluchtig. Die fantastische plaatjes, de contrasten in zwart en wit, het schaduwspel, dáár genoot ik van. Louter om die reden zou je in God mogen geloven. Maar zelfs dat deed ik niet. Ik deed trouwens nooit veel. Dat was heersende mening in die dagen. Ik nam niet eens de moeite meer om die tegen te spreken. De nadelen wogen nauwelijks op tegen de voordelen. Mijn imago bespaarde me een hoop werk. Mijn moeder en bazen raakten eraan gewend en pasten hun verwachtingen aan. Straf bood geen oplossing voor hun probleem. Want dat vormde ik in hun ogen: een probleem. Mijn broodheren losten dat op door me te ontslaan. Jammer dan. Ik leefde en dat kon bijna niemand mij navertellen.
Pas later kreeg ik plompverloren te horen dat God op geen enkele afbeelding van Doré te zien was. Allesweter Johan vertelde dat met een superieure grijns. Die wist wel meer te verpesten in mijn leven. Hij verzekerde mij dat ik al die tijd naar Bijbelse figuren van vlees en bloed had zitten kijken. Profeten, aartsvaders, dat genre.
Afbeeldingen van het Opperwezen waren door oud- en nieuwtestamentische chroniqueurs nooit gemaakt. Toen Johan dit zei ging ik aan mezelf twijfelen. Juist in die Bijbelse dagen beschikten ze over bijzondere talenten, behalve op het gebied van de beeldende kunst. Hoe kregen ze het voor elkaar om een verhaal op de markt te brengen zonder een illustratie van de Hoofdpersoon? En dat terwijl de holenmens zich in zijn grot al bekwaamde in de tekenkunst, met dezelfde onbeholpen stijl waarmee ik hier in mijn kerker dagelijks een streepje in de muur kerf. Een uitverkoren volk, maar op dit gebied vond ik ze tamelijk onhandig. Dit had beter gekund.
K.’s negentiende-eeuwse Bijbel: gravures zonder God. Terwijl Hij toch echt als twee druppels water leek op de ruiter op het vale paard. En ik kon het weten. De halve wereld vond me weliswaar te stom om voor de duvel te dansen, mijn ogen bedrogen me niet. De boekenwijsheid van Johan kon me gestolen worden.
Ik meende God dus alleen te kennen uit een plaatjesboek. Dat was blijkbaar genoeg. De vrome K. knielde thuis voor zijn zeven heiligen, brandde kaarsjes en bad de kralen uit zijn rozenkrans.
Eerlijk is eerlijk. Wie had kunnen verwachten dat God juist mij zou redden? Een grillige gunst. Uithuilen en opnieuw beginnen. Ik mocht me aan een herschepping wagen. Met mijn talent voor creativiteit bood dat geen hoop op een fatsoenlijke bouwtekening. Kleuterwerk, een ongeloofwaardige droomwereld.
Het was een vooropgezet plan. Meesterlijk, bij nader inzien.
God wist perfect wie Hij uitkoos.
Mij dus.